Tijdvak van de Turken
"Om een land en zijn inwoners beter te leren begrijpen is het verstandig om hun geschiedenis te kennen". Onder dit motto is Hongarije in Zaken een serie artikelen gestart om de geschiedenis van Hongarije in kaart te brengen. In deze editie komt deel 2 uit een serie van 4 delen aan de orde waarin dieper wordt ingegaan op het ontstaan en de verdere ontwikkeling van Hongarije door de tijden heen.
Het tijdvak van de Turken
Met de dood van Mátyás I kwam aan het gouden tijdperk van Hongarije een abrupt einde. De koning liet geen erfgenamen achter. De Hongaarse nationalisten erkenden het opvolgingsrecht van de Habsburger Frederik III, waarin ze ooit hadden toe gestemd, niet meer en kozen Boheemse koningen. Onder het bewind van de zwakke Boheemse koningen Vladislac II (1490-1516 en Lajos II (1516-26) werd opnieuw duidelijk hoe machtig de Hongaarse adel was. De rechten van de koning werden beknot, de betalingen aan het koninklijke leger gestaakt. De bezittingen in Oostenrijk, Bohemen en Kroatië konden onder deze omstandigheden niet meer worden onderhouden. In de rest van het land leidde het egoïsme van de edellieden tot steeds grotere sociale tegenstellingen. Boeren en stedelingen werden hiervan het slachtoffer. In 1514 kwam het tot een opstand van de boeren, die echter de kop in wordt gedrukt. De ontlusten van de reformatie, die eveneens niet voorbij gingen aan Hongarije, verzwakten het land verder.
Onder deze omstandigheden hadden de Turken het makkelijk. In 1521 konden ze zonder problemen Belgrado innemen om vervolgens een groot offensief tegen Hongarije te openen. In 1526 versloeg het vier keer zo sterke Turkse leger de 25.000 man sterke troepen van Lajos II bij Mohács. De koning verdronk tijdens een vluchtpoging. Niemand trok lering uit deze tragedie. De tegenstelling tussen de voornamelijk van Duitse afkomst zijnde sympathisanten van de Habsburgers en de door de Hongaarse de adel gesteunde nationalisten verscheurde het land nog meer. Volgens de overeengekomen erfovereenkomst had de Habsburger Ferdinand I recht op de troon. Maar de Hongaarse nationalisten verzetten zich tegen deze Duitser en begunstigden de verkiezing van János Zápolya, die verbonden was met het machtige Poolse koningshuis. De Turken profiteerden van deze tegenstelling en steunden de anti- Habsburgerse partij. Het leverde ze veel sympathisanten op, waardoor ze sneller konden oprukken. In 1541 bezetten de Turken Boeda en daarmee beheersten ze heel Midden-Hongarije, van Pécs tot Esztergom. Onder leiding van Zápolya scheidden de gebieden ten oosten van de Tisza zich af en vormden het onafhankelijke , niettemin van de gunst van de Turkse sultan afhankelijke vorstendom Transsylvanië. Ferdinand I (1526-1564) slaagde er na langdurige twisten in de onenigheid over de opvolgingskwestie weliswaar in zijn voordeel te beslechten, maar zijn koninkrijk bestond nog slechts uit een smalle, halve cirkelvormige strook land, met Bratislava als hoofdstad.
Het door de Turken (Osmanen) bezette land ontvolkte. Zij die bleven, moesten de nieuwe heren onvoorwaardelijk dienen. Velen werden zelfs naar Aziatische slavenmarkten afgevoerd. De naar het westen gevluchte edellieden claimden de hoeders van de traditie en van het Hongaarse nationalisme te zijn. Zij die niet hadden geleden onder het oude systeem verlangden naar een onafhankelijk Hongarije, zonder Turken en zonder Habsburgers. De situatie was echter uitzichtloos. Elke enigszins realistische politiek noodzaakte de samenwerking met de Habsburgers. Hoe halfslachtig deze politiek in praktijk was, laten de steeds terugkerende samenzweringen tegen Oostenrijk zien, die ondanks de Turkse dreiging werden voortgezet. De Habsburgers droegen hier zelf aan bij, omdat ze een conflict met de Turken vermeden en er niet aan dachten Hongarije serieus bij te staan. Pas in 1683, toen een groot Osmaans leger op weg was om Wenen te veroveren, werden de Oostenrijkers gedwongen de strijd aan te gaan met het Osmaanse rijk. Na verschillende hardnekkige slagen moesten de turken zich terugtrekken. In 1686 wisten Hongaarse soldaten brucht van Boeda opnieuw in te nemen.
De definitieve bevrijding van de meer dan honderdvijftig jaar durende Turkse heerschappij kwam echter pas in zicht met het in 1699 bereikte vredesakkoord van Karlóca. De verovering door de Osmanen maakte aanvankelijk een eind aan elke bouwactiviteit en daarmee kwam een overwacht einde aan de bloei van de Italiaanse renaissance. Maar in de door de Turken bezette gebieden kwamen al snel kunstenaars en geleerden die de Osmaanse cultuur verspreiden. Islamitische architecten begonnen met de bouw van moskeeën en luisterrijke grafmonumenten. Helaas werd het grootste deel van de Turkse bouwwerken bij de herovering verwoest en werd de rest voor andere doeleinden gebruikt, zoals bijvoorbeeld de beide moskeeën van Pécs. In het Habsburgse (romp)rijk werden de weinige voor handen zijnde middelen vooral ter versterking van burchten ingezet. Bastions naar het voorbeeld van Italiaanse vestingsteden moesten de verdediging tegen de Turken gemakkelijker maken.
De Hongaarse vrijheidsstrijd en de Rákóczi-opstand
Hongarije was nu weliswaar van de Turken bevrijd, naar niet van de Habsburgers, die in een land kwamen, dat in moreel en materieel opzicht uitgeput was, en dat nu argwanend in de gaten werd gehouden. Het uitgemergelde en opgebrande Hongarije bleek weinig bezwaar te maken tegen zijn rol als vazalstaat. Koning Leopold I haalde Duitse en Servische kolonisten het land binnen om het opnieuw te bevolken en om tegelijkertijd een Habsburgsgetrouwe bevolkingslaag te creëren. Dat leidde echter tot rebellie van de Hongaarse nationalisten. Opnieuw ontstond er oproer, dit keer onder leiding van Ferenc II Rákóczi, die acht jaar (1703-1711) tegen Oostenrijk vocht. De Turken en vijanden van de Habsburgers moedigden hem aan, maar steun bleef uit. De Hongaarse onafhankelijkheidsverklaring op de rijksdag van Onod (1707) bleef derhalve slechts een episode. Na zijn nederlaag vluchtte Rákóczi naar het Osmaanse rijk, waar hij, na vergeefse pogingen de strijd opnieuw te doen herleven, in 1735 stierf.
De tijd van de Habsburgers
Het einde van de vrijheidsstrijd bracht Hongarije eindelijk de lang gewenste vrede. Het land was leeggebloed, de akkerbouw lag stil. Alles, ook de politieke verhoudingen, werd gelaten aanvaard. De verzoenende houding van keizer Karel VI droeg zeer bij aan het behoud van de vrede. Hij liet de Hongaarse adel de oude privileges behouden, met name het recht op vrijstelling van belasting. De edellieden deden in ruil afstand van hun recht om een koning te kiezen en stemde in met de in 1722 uitgevaardigde nieuwe erfopvolgingwet die bepaalde dat bij gebrek aan een mannelijke erfgenaam een vrouwelijke troonopvolger moest worden benoemd. Er was daarom geen oppositie toen Maria Theresia in 1740 keizerin van Oostenrijk en koningin van Hongarije werd. Van alle Habsburgers die ooit over Hongarije heersten, was zij verreweg de oprechtste, natuurlijkste en vriendelijkste. Toen in 1741 Beieren, Bohemen en Tirol tegen Wenen in opstand kwamen, zocht Maria Theresia steun bij de Hongaarse diet, de landdag, in Bratislava en uit loyaliteit steunden de Hongaren haar. Uit dank daarvoor bleven de oude feodale structuren intact. Alleen in het bestuur vonden veranderingen plaats, aangepast aan de toenemende centralistische regering. Een groot deel van de Hongaarse adel vertrok naar Wenen om daar carrière te maken; het land maakte een vreedzame periode mee. Na het vertrek van de Turken en het einde van de anti-Habsburgse vrijheidsstrijd begon voor Hongarije een tweede gouden tijdperk. Door de verwoestingen die de Turken hadden aangericht kwam de bouwwerkzaamheden slechts langzaam weer op gang. Om die reden ook werd de barok, die de rest van Europa al lang had bereikt, met enige vertraging geïntroduceerd in Hongarije. Vroeg- en hoog-barokke gebouwen zijn daarom zeldzaam.
Schaarse voorbeelden zijn de jezuïetenkerk in Györ, het slot Savoyen in Ráckeve en de feestzaal in de burcht van Sárvár. In de welvarende bisschopssteden Györ, Székesfehérvár, Veszprém en Eger werd bijzonder actief gebouwd. Hier lieten de bisschoppen hun residenties en kerken in laat-barokke stijl verbouwen. Ook talrijke openbare gebouwen, kloosters en woningen van aanzienlijke burgers kregen een barok aanzicht. Omdat in de barok architectuur en schilderkunst niet te scheiden zijn, ontstond al snel een grote vraag naar schilders om kerken en paleizen met schilderijen en fresco's te decoreren. Deze kwamen, net zoals de stukadoors en de architecten, bijna uitsluitend uit Oostenrijk en Italië. De belangrijkste vertegenwoordiger van de barokschilderkunst in Hongarije was de in Langenargen aan het Bodenmeer geboren Franz Anton Maulbertsch (1724- 1796). De kerken in Székesfehérvár, Vác en Györ, maar vooral de parochiekerk van Sümeg tonen zijn briljante fresco's. Het belangrijkste profane bouwwerk van de Hongaarse Barok is het paleis van de adellijke familie Exzterházy in Fertöd, dat in 1760 naar het voorbeeld van het paleis van Versailles werd gebouwd. Aan het einde van de 18e eeuw ontwikkelde zich de zogenaamde Zopfstijl. Karakteristiek voor deze stijl is de verbindin van laatbarokke architectuurvormen met ornamenten uit classicsme, vooral guirlandes, ook wel aangeduid als ‘Zöpfe'.
Tekst: ©Team HiZ - LV 2007
Eerder gepubliceerd in HongarijeinZaken editie 8. Bestellen?
Subscribe



reacties
plaats een bericht
u moet ingelogd zijn om te kunnen reageren
Login - Registratie