Historie Hongarije Hoe het begon in de oudheid
Romeinen, Avaren en Magyaren
Al 500.000 jaar geleden moeten er mensen hebben geleefd in het gebied rond de Donau. Tijdens de koper- en bronstijd (4000/3000 jaar v.Chr.) woonden er Indo-europese stammen in burchten van aarde en steen. Later vestigden zich er Kelten en verschillende volkeren uit het gebied rond de Zwarte Zee. Rond 10 v. Chr. veroverden de Romeinen het gebied ten westen van de Donau en namen het als de provincie Pannonia in hun rijk op. Hoofdstad was allereerst Savaria (Szombathely) Nadat de provincie in tweeën was gedeeld werden dat Carnuntum en Aquincum.
Indrukwekkende resten van de laatste stad zijn bewaard gebleven aan de rand van de stad van Boedapest. Tijdens de ondergang van het Romeinse rijk veroverden de Hunnen en later Avaren, Turkse stam, het gebied. Zij konden zich meer dan tweehonderd jaar lang handhaven, tot rond honderd jaar lang handgaven, tot rond 803 Karel de Grote hun rijk veroverde. Pannonia werd een grensprovincie van het Frankische rijk. De huidige Hongaren voeren hun herkomst echter terug op de Magyaren, die oorspronkelijk ten oosten van de Oeral leefden. De Magyaarse stammen, die tot de Fin-Oegrische volken behoren, drongen in verschillende etappes door tot het westen en bereikten onder hun legendarische leider Árpád in de 9de eeuw het gebied rond de Donau. Op hun rooftochten in de omringende landen reden ze alles omver wat hen voor de voeten kwam. Toentertijd verwarde men ze met een ouder ruitervolk, de Onoguren, waardoor de Magyaren vandaag de dag in het Nederlands ‘Hongaren' heten. In 955 kwam aan deze rooftochten een abrupt einde, toen keizer Otto I de Magyaren in de slag bij Lechfeld vernietigd versloeg. Árpád opvolger Géza oordeelde dat het tijd was om vrede te sluiten.
Koning István I, de Heilige
Na het vredesakkoord, nadat de stamvorsten uit hun macht waren ontzet en na de overgang tot het christendom werd het land een christelijk koninkrijk naar westers voorbeeld. In 1001 werd Géza's zoon István I met de zegen van de paus tot eerste Hongaarse koning gekroond. Esztergom en Székesfehérvár werden hoofdsteden. Het eerste doel van de jonge koning was zijn macht te verstevigen. Genadeloos bestreed hij rivalen uit de gelederen van andere Magyaarse stammen. Tegelijkertijd maakte hij een begin aan een efficient bestuursapparaat. Hij deelde het rijk op in provincies (comitaten), die tot op de dag van vandaag bestaan. István was een fanatieke christen. Overal in het land stichtte hij kloosters om monniken het land in te lokken die de resterende heidenen moest bekeren. Uit erkenning voor zijn verdiensten voor de kerstening van Hongarije werd István I op 20 augustus 1083 heilig verklaard. Deze dag is nu een Hongaarse feestdag.
Het Hongaarse koninkrijk en de Árpád- dynastie
Na István's dood verviel het land in chaos. Zijn opvolgers verwaarloosden regeringszaken, waren niet in staat hun rivalen uit te schakelen en verwikkelden zich in intriges, moorden en oorlogen. In 1096 besteeg Kálmán I de troon. Zijn eerste daad als koning bestond eruit zijn broer en eigen zoon de ogen uit te laten steken om zo alle mogelijke troonpretendenten uit te schakelen. Hierna heerste hij met grote wijsheid. Dankzij zijn slimme politiek maakte Hongarije in de eerste helft van de 12de eeuw een rustige en relatief welvarende periode door. De heersers na Kálmán trouwden deels westerse, deels oosterse prinsessen waardoor ze de vrede aan beide kanten van het rijk veilig stelden. Het land werd nog welvarender. Aan de welvaart kwam een eind toen András II in 1205 de troon besteeg. Hij kreeg het met Rusland aan de stok en begon een kruistocht waarbij hij zware verliezen leed. Om zijn extravagante buitenlandse politiek te kunnen financieren plunderde hij de schatkist en verbeurde hij koninklijke bezittingen aan iedereen die genoeg geld had. De lage adel, die steeds armer werd, kwam in 1222 in opstand en dwong András II tot het ondertekenen van de Gouden Bul, waarin de rechten van de adel en hun relatie tot de koning werden vastgelegd. Tegen de aanval van de Mongolen had het verzwakte land weinig tegenstand te bieden. In de slag van Muhi in 1241 leden de Hongaren een beslissende nederlaag. Meer dan de helft van de onversterkte nederzettingen in het Donau-Tisza-gebied werd door de Aziatische indringers verwoest en duizenden mensen gedood. Zo snel als de Mongolen waren gekomen, zo snel verdwenen ze weer, maar de angst voor de dreiging bleef. Daarom drong koning Bela IV (1235-1270) er bij de edellieden voortdurend op aan burchten te bouwen. Steden als Györ, Sopron, Esztergom en Pécs werden voorzien van vestigmuren, In Visegrád en andere plaatsen werden burchten gebouwd om het land te verdedigen. De wederopbouw van Hongarije verliep aanvankelijk voorspoedig, maar de opeenvolgende koningen hadden voortdurend te kampen met wisselende vijanden in binnen- en buitenland. Toen András III (1290-1301) zonder erfgenaam stierf, was daarmee het lot van de Árpád-dynastie onherroepelijk beslecht.
Het Gouden Tijdperk
De vrouwelijke lijn van de Árpáden zette de strijd om de troonopvolging met bloedige twisten voort, maar tevergeefs. Met behulp van Hongaarse edellieden en de steun van de paus kon ten slotte Karel I (1308-1342) uit de Napolitaanse Anjou-dynastie zich laten geleden. Daarmee begon voor Hongarije tweehonderd jaar heerschappij onder buitenlandse koningshuizen. Het duurde niettemin nog veertien jaar voordat Karel I zijn heerschappij in het hele land had gevestigd. Hij verplaatste de koninklijke residenties naar Visegrád en Temesvár (tegenwoordig in Roemenië) en versterkte zijn macht door middel van nieuwe belastingen, invoerrechten en een monopolie op de handel in edelmetalen, die in het zuiden van Hongarije werden gewonnen. De vrede in het land en een handelsverdrag met Polen en Bohemen leidden tot een enorme economische opleving. Hongarije begon aan en gouden tijdperk. Karels zoon Lajos I (1342-1382) maakte van Hongarije een grootmacht. De groeiende welvaart lokte niet alleen huursoldaten en boeren het land in, maar ook zoveel geleerden, dat in 1367 in Pécs een eerste universiteit werd opgericht. De meeste bouwwerken uit deze tijd, gekenmerkt door de overgang van Romaanse naar gotische bouwkunst, overleefden de strijd met de Turken en de latere oorlogen niet. De bekendste gotische bouwwerken van Hongarije ontstonden aan het eind van de 14de, begin 15de eeuw. Een voorbeeld van het hoge niveau van de bouwwerktechnieken in de 15de eeuw is het net gewelf van de protestantse kerk in Nyíbátor. Het huwelijk met de dochter van Lajos bracht Zsigmond (Sigismund van Luxemburg, 1387-1437) op de Hongaarse troon. Toen hij in 1410 ook nog keizer van het heilige Romeinse Rijk werd, nam het nationale bewustzijn en daarmee de afkeer van het Duitse overwicht in Hongarije sterk toe. Tocht wist Zsigmond de vrede enigszins te bewaren. Zijn politiek bezorgde Hongarije opnieuw een halve eeuw van ongestoorde rust en economische bloei. Er ontstond pas een crisis toen Zsigmonds opvolger, Albert II van Habsburg (1437-39), stierf. Hij liet geen troonopvolger na, wel een zwangere vrouw. De rijksdag koos daarop de Pool Vladislav I Jagiello (1440-1444) tot nieuwe koning. Maar Alberts weduwe liet dit niet over haar kant gaan. Na de geboorte van haar zoon László V liet ze de koninklijke onderscheidingstekens stelen en haar kind op de prille leeftijd van twaalf weken tot koning kronen. Na de dood van Vladislav accepteerden de Hongaarse nationalisten weliswaar de aanspraak op de troon van de toen net driejarige Habsburger, maar benoemden ze niettemin de Hongaar János Hunyadi (1445- 1452) tot regent. Met dit compromis waren beide partijen, Habsburgers en Hongaarse nationalisten, tevreden. De steeds sterker wordende dreiging van de Turken, die tot ver op de Hongaarse laagvlakte waren doorgedrongen, was echter niet bevorderlijk voor het overwinnen van de binnenlandse twisten.
Hunyadi was in de strijd tegen de Turken buiten gewoon succesvol. Steeds opnieuw bracht hij hun militaire en diplomatieke slagen toe. In 1456 ondernam hij zijn laatste veldtocht deze keer om Belgrado te bevrijden. Geholpen door een pestepidemie, doorbrak hij de sterke verdedigingsring rond de stad. Bovendien wist hij de Turken zo te intimideren dat ze decennialang niet meer zouden aanvallen. Ook Hunyadi echter werd elf dagen na de slag geveld door de pest. Volgens afspraak besteeg nu de jongen Habsburger László V (1453-57) de troon. Maar de Hongaarse nationalisten protesteerden en toen László stierf, lukte het hen om de zoon van Hunyadi, Mátyás I (Mátyás Corvinus, 1458-1490), tot koning in te huldigen. Dit kon echter alleen met concessies aan de edellieden die aan de kant van de Habsburgers stonden. Mátyás moest een verdrag ondertekenen met daarin de clausule dat een Habsburger troonopvolger zou worden indien Mátyás zonder erfgenaam zou sterven. Mátyás zag dan ook de Habsburger Frederik III als zijn grote vijand. Hij was van plan om van Hongarije een machtige natie te maken, met Polen en Bohemen als bondgenoten, die hem, als het nodig was, ook in de strijd tegen de Turken konden bijstaan. In 1485, op het hoogtepunt van zijn macht, vielen Moravië en Silezië hem ten deel. Hij verdreef Frederiks leger uit Neder-Oostenrijk en de Stiermarken, rukte op tot aan Salzburg en nam Wenen na een korte belegering in. Hongarije koesterde zich onder Mátyás in pracht en praal.
Team Hiz: LV - SS - JvK Bron Spectrum.nl / Nellis
Eerder gepubliceerd in HongarijeinZaken editie 13. Bestellen?
Subscribe



reacties
plaats een bericht
u moet ingelogd zijn om te kunnen reageren
Login - Registratie